Kaapstad.org/Akho Africa Tours & Safaris

 

         

Click here for your language                

Contact: E-mail

 

Tel: +27 11 760 4618

Tel: +27-82 861 5461

www.kaapstad.org

www.sudafrikareisen.de

www.zuid-afrikareizen.com

 

 

 

 

 

Ontdek de legende van de Battlefieds in de Zulu Kingdom regio, landelijke schoonheid en boordevol geschiedenis en in de schaduw van de Drakensbergen. De streek wordt omringt door dorpen en steden zoals Volksrust, Newcastle, Ladysmith, Greytown, Eshowe, Ulundi, Paulpietersburg en Utrecht.

In de regio zijn er zo maar even 63 slagvelden van historische waarde. De bekendste zijn ongetwijfels Bloedrivier (een treffen tussen de Zulu en de Voortrekkers in 1838), Battle of Isandlwana (1879), Rorke's Drift (1879) en de Battle of Talana (een treffen tussen de Britten en Boeren in de Anglo-Boer Oorlog in 1899).

Bezoekers kunnen makkelijk vanuit de regio de Drakensbergen verkennen.

 

Klik hier voor een NATAL BATTLEFIELDS KAART

Spionkop Lodge

In het Spioenkop Natuurreservaat en vlakbij de site van de Slag om Spioenkop.

Ingudlane Lodge

 

Moderne luxe chalets in de omgeving van Dundee, nabij het beroemde slagveld van Isandlwana.

Penny Farthing

 

De lodge is 5 generaties in handen van dezelfde familie. Nabij Dundee.

Babanango Valley Lodge

 

Kleine country lodge met 9 en-suite kamers in het hart van Zululand.

 

Three Trees Guest House

 

De Three Trees Lodge is omringt door de Drakensbergen, met uitzicht over het Spioenkop Game Reserve en de beroemde Spioenkop heuvel.

Sewula Gorge Lodge

 

Vier afzonderlijke en-suite chalets en een hoofdgebouw met dramatische ligging met plaats voor 8 volwassenen en 10 kinderen.

Isibindi Zulu Lodge

Traditionele rieten hutten met uitzicht over het natuurgebied en nabij de historische site van Rorke's Drift.

Isandlwana Lodge

 

Uniek uitzicht over de Isandlwana vallei en de Sfinx.

Fugitive Lodge

 

Nabij de historische site van Fugitive's Drift. Gelegen in een natuur reservaat.

 

Hartford Guest House

Legendarisch gastenhuis dat wereldberoemd is om zijn paardenfokkerij.

 

   

The Battle of Isandlwana

“Wet With Yesterday’s Blood”

Tegen het eind van de eerste week in januari 1879 stond het Britse kamp opgesteld op de Helpmekaar Ridge, met uitzicht over de grens tussen de British Colony of Natal en het zelfstandige Zulu Koningkrijk.

De 1st Ballion officieren van het 24th Regiment inviteerden de officieren van het 2nd Battallion voor het middagmaal. Beiden regimenten waren deel van het leger dat verzameld was rond Zululand; de grens, de Mzinyathi Rivier (het water van de buffel) meandert door de vallei aan de voet van de heuvel.

Het was ongewoon voor twee bataljons om samen te legeren in hetzelfde gebied. Volgens het Britse systeem van de jaren 1870 dienden bataljons in een soort rotatiesysteem, dat betekende dat het ene bataljon in Engeland tijd doorbracht in het depot en het andere ergens in het buitenland. Door de groeiende koloniale problemen in het Britse Imperium werd er steeds meer van dit systeem afgestapt.

De twee bataljons van het 24st kwamen afzonderlijk in Zuid-Afrika aan, en ondanks hun strijd in de 9e Kaapse Grensoorlog (the War of Ngcayecibi' - 1877/78), tegen de amaXhosa bevolking, hadden ze nooit aan elkaar zijde gevochten. Deze keer gingen ze voor het eerst in de geschiedenis van het regiment samen een campagne voorbereiden tegen de Zulu's.

Het regiment had bovendien rond die tijd iets te herinneren, namelijk op 13 januari 1849, 30 jaar voor die tijd, vocht het regiment een bloedige strijd tegen het Sikh leger van Chillianwallah in India. Het 24e regiment kreeg toen de orders om het artillerievuur van de Sikh met de bajonet op het geweer tegemoet te gaan met als resultaat dat 500 officieren en manschappen sneuvelden of gewond waren.

De kleuren van het regiment, hun symbool en trots tegenover de Queen hadden ze toen verloren.

Een paren dagen later zou geen enkele officier van het 1st Battallion zich nog het diner herinneren want ze verloren het leven in Isandlwana, enkele mijlen aan de andere kant van de grens in Zululand, samen met 5 officieren naast hen van het 2nd Battallion, 1300 Britse soldaten (waaronder ook onder hen Zulu's en kleurlingen) en 1000 Zulu's. Het slagveld lag er ook bezaaid met honderden karkassen van paarden, ossen, muilezels en honden. Een Zulu veteraan jaren later het volgende commentaar geven  “the green grass was red with the running blood and the veld was slippery, for it was covered with the brains and entrails of the killed”.

De Battle of Isandlwana was één van de ergste vernederingen van het Britse leger tijdens het Victoriaanse tijdperk. De part-time soldaten en herders van het kleine nauwelijks bekende Afrikaanse koninkrijk werden plotseling wereldwijd getransformeerd in het stereotype van krankzinnige, wilden en onbegrijpelijke, een dogma dat tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat.

Terzelfdertijd betekende Isandlwana ook de totale vernietiging van het Zulu Koninkrijk. De Britten hadden zelfs geen zin om vrede te sluiten alvorens hun militaire eer opnieuw gered zou zijn op het slagveld.

De Britse nederlaag was geen 1 enkele tactische blunder maar een combinatie van misverstanden, misrekeningen en ook enorm veel pech. De Zulu overwinning aan de andere kant was te danken aan het tactisch inzicht, de agressieve geest van de krijgers en rauwe moed tegenover een leger dat toen moderne massa vernietigingswapens had.

De Britse bevelhebber in Zuid-Afrika, Lieutenant-General Lord Chelmsford, had beslist om Zululand zo snel mogelijk binnen te vallen in drie offensieve vlagen en daarbovenop nog twee ondersteuningen. Het was de bedoeling om het politieke en militaire systeem van de Zulu van de kaart te vegen in een zo kort mogelijke tijd en het oprichten van een confederatie. Uiteindelijk was het dus de bedoeling om drang naar koloniale macht uit te breiden door Afrikaanse koninkrijken en Boer republieken onder de Britse vlag te brengen.

De Britten boden de Zulu koning, Cetshwayo kaMpande, in december 1878 een ultimatum aan. De koning moest zijn hele militaire eer en sociale structuur opdoeken en zich onderwerpen aan de Britten. Natuurlijk deed een onafhankelijke staatsleider dit niet en het ultimatum verliep tenslotte op 11 januari 1879 met als gevolg dat Chelmsford Zululand binnenviel.

De Britse legers gingen in die tijd hun koloniale campagnes met te weinig soldaten tegemoet, dat was ook het geval voor Chelmsford. Zijn drie offensieven met niet meer dan twee infanterie bataljons, op zijn sterkst 800 man en wat artillerie ondersteuning. Veel troepen waren geronseld onder de zwarte stammen die rivaliseerden met de Zulu's, vrijwilligers en ongeregelde troepen die her en der geronseld werden.

Chelmsford zelf had het bevel over het centrale offensief en daalde de Helpmekaar heuvels af tijdens de eerste week van januari en kruiste de grens met Zululand bij rork's Drift.

Lord Chelmsford was een ervaren krijgsman rond 50 jaar oud. Hij had onder andere zijn strepen verdiend tijdens de Kaapse Grensoorlog (tegen de Xhosa) die even uit de hand begon te lopen en door zijn toedoen weer rechtgezet werd. Zijn inlichtingendienst dacht dat de Zulu tactiek en de Xhosa tactiek niet veel van elkaar verschillen. De Xhosa's hadden een guerrilla tactiek toegepast, blitsaanvallen en opnieuw weg. Lord Chelmsford dacth dat de Zulu's hetzelfde zouden ondernemen. Zijn strategie met drie offensieven was om King Cetshwayo’s in zijn hoofdstad, oNdini (Ulundi), in een hoek te drijven zodat de Zulu's geen andere keus zouden krijgen om het gevecht rechtstreeks aan te gaan.

De invasie verliep vlot, Chelmsford nam zelf op 12 januari deel aan de aanval tegen Chief Sihayo kaXongo in de Batshe vallei. Sihayo’s krijgers waren betrokken in grensincidenten tegen de troepen van Chelmsford's maar moesten al snel het onderspit delven. De Britten voelden zich oppermachtig en wat ze niet wisten is dat King Cetshwayo's zijn tactiek rustig kon voorbereiden.

De raadgevers van de koning waren als het ware verlamt nadat het ultimatum verstreken was, in feite wachtten ze de eerste zet van de Britten af maar na de aanval op Sihayo's leger kwamen ze in actie.

De amabutho - een regiment op leeftijd werd opgeroepen moest de ceremonies nodig om ten strijde te trekken ondergaan. Chelmsford’s aanval op Sihayo deed het de middelste invasie (onder leiding van Chelmsford) het meest gevaarlijke lijken. De amabutho, a totaal van waarschijnlijk 23,000 mannen werd uitgezonden vanuit oNdini op 17 januari om Chelmsford rechtstreeks aan te vallen.

In feite was te troepen vooruitgang van Chelmsford tergend traag vanwege de schermutselingen aan de grens en hij volgde een oude handelsweg tussen Rorke's Drift en Ndini. De weg was bovendien niet echt geschikt voor zijn bevoorrading van meer dan 300 ossenwagens. Daarinboven kwam nog de slechte weersomstandigheden. Na een lange droogte periode van verscheidene seizoenen volgden de normale zomerregens. Gedurende de dag was het heet en in de late namiddag volgde onweer en het traject veranderde snel in een modderpoel. Tegen 20 januari was hij in staat om de afstand tussen Rorke's Drift en Isandlwana te overbruggen.

Isandlwana  is tot de dag van vandaag een erg mysterieuze plaats, een zandsteenrots, de Sfinx, staat 300 voet hoog boven de vlakte, afgesloten van de wind en regen in de iNyoni heuvels in het noorden. Het spel van licht is er elke dag anders, in de avond het purper licht dat een zomerstorm aanmeldt met op de achtergrond de sinistere rots.

Chelmsford richtte zijn kamp op aan de voet van de berg, een perfecte locatie met uitzicht over verscheidene mijlen in de richting van oNdini. Bij aankomst werd hij reeds ingelicht dat het Zululeger op komst was. Hij was vrij gerust over de linkerflank en vooraan maar maakte zich wel zorgen over de heuvels  - Hlazakazi en Malakatha - die rechts het zicht ontnamen. Achter deze heuvels een reeks heuvels en valleien en dat zou net in het voordeel zijn van het Zululeger. De volgende dag, op 21 janauri, stuurde hij het 21st, vooral bestaande uit Afrikanen, in de heuvels om de omgeving te verkennen. Die nacht liepen ze recht in de armen van het Zululeger. Dankzij de nacht konden ze niet vaststellen wat de getallensterkte van het Zululeger was en toen gingen ze snel verslag uitbrengen aan Chelmsford.

Het bericht bereikte hem omstreeks 2 uur in de ochtend van 23 januari. Alles bleek zoals hij verwacht had. Net zoals de Xhosa's zou het Zululeger de rechtstreekse confrontatie vermijden en bovendien vechten in een terrein dat de Britten niet goed lag.

Chelmsford wou geen enkele kans nemen en gaf het bevel om meteen het Zulu kamp aan te vallen met het 2/24th Battallion. Zijn bedoeling was om bij verrassing het kamp aan te vallen bij zonsopgang alvorens de Zulu's op de vlucht zouden slaan. Het 1/24th moest het kamp bewaken terwijl een tweede invasiegolf hem zou volgen.

Het kamp was onder bevel van Lt. Col. Henry Pulleine, een man dat voor het eerst troepen onder zijn bevel kreeg. Iedereen verwachtte dat de slag zou ondernomen worden door de opperbevelhebber, Chelmsford zelf.

De ondersteunende troepen arriveerden in Isandlwana om 10.30 op 22 januari, onder het bevel van Brevet Colonel Anthony Durnford, een Royal Engineer met een jarenlange koloniale ervaring in Natal en die één arm niet meer kon gebruiken na een schermutseling in 1873. Durnford wou dit keer bewijzen wat hij waard was. Hij had gezien dat een groot aantal Zulu's zich verschansten op de iNyoni heuvelrug na het vertrek van Chelmsford, en dit in de tegenovergestelde richting waar Chelmsford hen ging zoeken. Durnford nam de beslissing om met 500 man de iNyoni heuvels de inspecteren. Polleine ging op zijn beurt akkoord met de actie van Dunford.

Durnford ging omstreeks 11.30 het kamp uit en gaf Lieutenants Roberts en Raw het bevel om met de helft van de troepen de heuvelrug te verkennen en zodoende de Zulu's te misleiden en weg te leiden van Chelmsford en het kamp.

Dunford had geen zicht over wat er zich afspeelde achter de heuvelrug. Raw en Roberts gingen intussen een groepje Zulu krijgers inhalen die in de verte verdwenen, uiteindelijk waren het herders die met hun vee de vlucht namen. Tijdens de achtervolging kwamen de troepen aan de Ngwebeni rivier dat in beneden in de vallei stroomde. Tot hun verbazing zagen ze het overgrote deel van het Zululeger.

De Zulu's hadden intussen op een effectieve manier het leger van Chelmsford misleid en hadden zicht van oNdini naar Isandlwana voortbewogen. Dat sterk staaltje krijgstactiek hadden ze in vier dagen geklaard door zo maar eventjes 40 tot 50 mijl te overbruggen en zich te verschansen in de Siphezi bergen, waar de Britten hen nauwelijks konden opmerken. Wat Chelmsford eigenijk zag in de avond van 21 januari waren Zulu troepen van plaatselijke chiefs die op weg waren naar het grote Zulu Impi. Intussen had het Zulu leger zich geruisloos naderbij het kamp bewogen en terwijl Chelmsford naar hen zocht op de rechterflank.

Met wat geluk had het Zulu leger een wig gebracht in het leger van Chelmsford, de Zulu bevelhebbers, Ntshingwayo kaMahole Khoza, een van de konings meest betrouwbare raadgevers, en Mavumengwana kaNdlela Ntuli - waren uiteindelijk niet meer zeker wat verder te ondernemen.

King Cetshwayo hoopte tenslotte tot op de laatste minuut om met de Britten te onderhandelen alvorens tot de aanval over te gaan. Bovendien was de komende nacht van 22/23 januari de nacht van de nieuwe maan, een tijd waarin donkere krachten dichtbij de levenden staan. Een eventuele aanval zou paniek kunnen zaaien onder de Zulu manschappen. Het Zulu leger had de vorige nacht in Ngwebeni geruisloos gerust zonder enig kampvuur.

Op een gegeven moment op 22 januari, het geluid van schermutselingen in de verte met Lord Chelmsford nabij Mangeni, bracht een van de ambutho's heel dicht bij het kamp. Dit werd opgemerkt door Pulleine in het kamp. Het regiment keerde terug naar het kamp maar toen Raw's mannen op de heuvelrug van Mabaso verschenen was het voor de Zulu krijgers meteen duidelijk dat ze tot de confrontatie moesten overgaan.

Het regiment aan de voet van de heuvel, de uKhandempemvu, sprong op en ging op Raw's manschappen af. De Zulu regimenten naast hen werden heel enthousiast en gingen ook meteen tot de aanval over. Er was zelfs geen tijd meer om de gebruikelijk rituelen te doen noch te tijd voor de bevelhebbers om instructies te geven. Het enige wat Ntshingwayo kon doen was het tegenhouden van de koninklijke regimenten nabij oNdini - de uThulwana en zijn amabutho - het verst gelegerd van het Britse kamp vormde zich om tot een reserve eenheid.

Het Zulu leger verspreide zich over de vallei. Raw en Roberts stopten en gingen meteen over tot het geven van geregelde salvo's terwijl de Zulu's overgingen tot hun bekende 'chest and horns' tactiek.

Nieuws over de aanval bereikte Pulleine en Durnford. Beiden konden niet geloven dat het om een groot Zulu leger zou gaan daar ze in ongeloof waren dat Chelmsford niet in confrontatie met hen gekomen was. Durnford was vier mijl ver uit het kamp en kon niets van de gevechten zien. Plotseling stond hij oog in oog met een paar duizend krijgers, de linker hoorn, bestaande uit de uVe en iNgobamakhosi amabutho. Durnford liet zijn mannen in lijn opstellen in de hoop om schietend naar het kamp toe te bewegen.

Intussen had Pulleine 1 compagnie naar de heuvels gestuurd om Durnford te helpen. Nog steeds ging Pulleine de getalsterkte van de Zulu's onderschatten en hij zond nogmaals een compagnie naar de heuvels waar hij overigens niets van de slag kon zien. Pas toen de Zulu 'chest' van de uKhandempemvu en uMbonambi amabutho op de heuvelrug verschenen, begon hij in te zien dat zijn beide compagnieën van elkaar zouden afgesneden worden. Bijgevolg stuurde hij twee lichte artilleriestukken (7 pounder kanonnen). Op die manier kon hij de troepen van Raw en Roberts in 1 lijn opstellen. Meer dan waarschijnlijk stonden er 700 'redcoats' of 'roodjassen' in 1 lijn naast elkaar, een strategie dat zijn nut bewezen had in de Kaapse Grensoorlogen. Niemand zou geloven dat de Zulu's geen angst zouden vertonen voor de geweersalvo's.

De Britse troepen van Durnford en Pulleine hadden zich verenigd en op een bepaald moment stonden er misschien wel 1300 roodjassen op één rij over een afstand van meer dan twee mijl tegenover een Zulu leger dat massaal in de meerderheid was, 10 tegen 1 !!

Voor een tijdje was de Britse opstelling voldoende om de Zulu's tegen te houden. Aan de Britse rechterflank vonden de troepen van Durnford een riviertje dat ze konden gebruiken als loopgracht. Het Zulu regiment dat hen aankeek, de uVe, het jongste leger - ging tegen de grond terwijl ze één voor één het geweervuur inliepen. Het oudere Zulu leger en linkervleugel, de iNgobamakhosi kon slechts meter per meter vooruitgang maken door zich in het lange gras te laten neervallen. In het centrum waar het uMbonambi en uKhandempemvu het zwaar te verduren kreeg tegen de artillerie liep de aanval vast. Zulu taligen in het Britse kamp konden horen hoe de Zulu izinduna hun mannen aanvuurden door het schreeuwen van 'Moya!' wat 'wind' betekend en “Nqaka amatshe!” - “vang de hagelstenen” , Daarinboven werd de koningsgezinde kreet - “uSuthu!” geschreeuwd.

Het geschreeuw werd gedurende twintig tot dertig minuten aangehouden. Op sommige plaatsen leek het erop dat de Zulu aanval zou uit elkaar vallen, op dit moment stuurde Ntshingwayo de izinduna vanaf de heuvelrug. De daaropvolgende minuten viel het Britse defensief uit elkaar. Het begon met de troepen van Durnford die zonder munitie kwamen te staan. Durnford gaf toen het bevel om het kamp te verlaten. De linker hoorn van het Zulu leger had de Britse flank verzwakt. Durnford en Pulleine gaven het bevel om zich terug te trekken naar het kamp en de lange lijn op de geven.

De Britse positie viel volledig uit elkaar terwijl de manschappen het kamp probeerden te bereiken terwijl de Zulu's de achtervolging inzetten. Er zat toen niks anders meer op, aangezien de Britse troepen zich niet meer konden herenigen, om man tot man gevechten te doen.

Overlevenden die probeerden te vluchten in de vallei van de Manzimnyama rivier kwamen tot hun ontzetting te zien dat de rechter hoorn de weg naar Rorke's Drift afgesloten had en de Zulu's op weg waren om het kamp in de rug aan te vallen.

Nog even konden de Britten weerstand bieden tot hun munitie op raakte. De Britten stonden toen rug aan rug met de bajonet op het geweer. Tenminste 1 compagnie was over de heuvelrug terug gedreven en ging het gevecht aan in de Manzimnyama vallei. De Britse soldaten konden helemaal niet ontsnappen en gingen zelfs gevechten aan met de geweerkolf, vuisten en ja, zelfs stenen. Als dit nog niet genoeg was toonde de natuur een eigen Apocalyps met een gedeeltelijke zonsverduistering.

Toen de slag begon waren er 1700 mannen in het Britse kamp, meer dan 1300 kwamen om.

Het verspillen van zoveel Zulu bloed vereiste een akelig reinigingsritueel door het opensnijden van de vijands buik om de ziel de kans te geven naar het hiernamaals te gaan. Iedere krijger die een man gedood had moest een kledingsstuk van de dode dragen tot ze de reiniginsceremonies ondergaan hadden. Misschien sneuvelden duizend Zulu's tijdens de gevechten en nog vele honderden zouden een gruwelijke dood sterven na de vewondingen van granaatscherven een zwaar kaliber kogels.

In de adrenaline rush van het gevecht doodden de Zulu's alles wat leefde in hun voorbijgaan. Honderden lijken lagen tussen karkassen van ossen, muilezels, paarden en zelfs honden.

De Zulu's namen alles mee wat bruikbaar was. Tegen de late namiddag zakte het Zulu leger af naar de Ngwebeni valley waar ze de dag begonnen waren. Vele krijgers werden achtergelaten met het schild over het gelaat. Pas maanden later zouden de Britten naar het slagveld komen om er de beenderen van de gevallen soldaten te begraven onder hopen stenen. Het zijn net die stenen die vandaag nog steeds de graven aanduiden.

En Lord Chelmsford? He kwam aan bij Mangeni, kort na zonsopgang de volgende morgen. Hij had de vorige dag zich beziggehouden met schermutselingen tussen hem en kleine groepjes Zulu krijgers in de heuvels richting Siphezi Bergen.

De geluiden van de slag kon hij niet horen en vanop 12 mijl afstand leek alles in het kamp rustig. Pas in de vroege namiddag begon hij in de gaten te krijgen dat er iets fout gegaan kon zijn in het kamp. Tegen de tijd dat hij zijn troepen verzamelde en de tocht naar Isandlwana aanvatte was het reeds valavond.  De slag was al lang voorbij bij aankomst en hij kon net enkele groepjes Zulu's zijn verdwijnen over de iNyoni heuvels. Chelmsford’s manschappen bereikten het kamp bij nacht en vielen her en der over lijken. Het ergste moest nog komen want Chelmsford besefte maar al te goed dat de troepen die op zijn bevel achtergelaten waren op de heuvel nabij Rorke's Drift, 11 dagen na de invasie, op dat moment in gevecht waren met de Zulu's.

 

The Battle of Rorke’s Drift

22/23 januari 1879

De mannen van de “B” compagnie 2/24th Regiment en anderen bleven achter bij de bevoorradingspost van Rorke’s Drift en hadden alle redenen om zich achtergelaten te voelen. Het was absoluut geen eer om bevoorrading en ziekenhuis patiënten te bewaken terwijl hun makkers het Zulu Koningrijk binnen marcheerden met het doel om Ondini (Ulundi) te vernietigen en de Zulu koning, King Cetshwayo Kampande, gevangen te nemen. Er was wat informatie doorgekomen dat de raid tegen Sihayo Kaxongo, een locale Zulu chieft, succesvol afgelopen was en dat de troepen kampeerden aan de voet van de berg met de vorm van een Sphinx in Isandlwana. Brevet Major Henry Spalding (104th Regiment) was de commandant van dit kamp. Zijn verantwoordelijkheid was dat de troepen verderop voldoende bevoorrading kregen in het vijandelijk gebied. Op woensdag 22 januari kwamen twee extra compagnies van het 24e regiment uit het fort nabij Helpmekaar niet aan. Na het bekijken van de legerlijst kwam hij tot de conclusie dat Lt. John Rouse Merriot Chard (5th Company - Royal Engineers) de eerstvolgende in bevel was. Spalding verliet het kamp met de beroemde woorden: “You will be in charge, although, of course nothing will happen, and I shall be back again early this evening.”

Het Britse leger in Natal had een nood aan militaire ingenieurs, vooral voor het aanleggen en onderhoud van pontons op de Buffalo River. Dergelijke pontons waren heel belangrijk om het invasieplan op wieltjes te laten lopen en bevoorrading aan de andere kant van de grens te krijgen. Chard en een handjevol mannen van de 5th Company kwamen in Durban aan op 5 januari en arriveerden bij Rorke's Drift op 19 januari. Drie dagen later kreeg hij bovendien het bevel over een garnizoen, alhoewel hij vrij veel buitenlandse ervaring had, had hij nog nooit militaire actie gezien. Zijn mede officieren gingen goed overweg met hem maar als compagnie officier werd hij beschreven als “A plodding, dogged sort” en “Hopelessly slow and slack.”

De tweede in bevel was Lt. Gonville Bromhead, de bevelhebber over de “B” Company 2/24th. Hij had een onvoorspelbaar karakter en werd vaak afgeschilderd als “The Deaf Duffer” en “fearless but hopelessly stupid.” Volgens sommige van zijn manschappen was zijn gedrag de oorzaak waarom ze niet mee mochten met de militaire colonne naar Zululand.

Nadat Spalding vertrokken was ging Chard de pontons controleren. Chard en Bromhead konden het geweervuur in de verte nabij Isandlwana horen maar gaven er verder geen barst om.

Reverend Otto Witt, Reverend George Smith, dokter Reynolds en een soldaat uit de "B" Company beklommen de Oscarsberg/Shiyane Hill aan de achterkant van het kamp om even te kijken naar de troepen verder. Op dat moment zagen ze tot hun totale verrassing een enorme Zulu macht opmarcheren in de richting van Rorke's Drift.

Op datzelfde moment kwamen een paar overlevenden uit Isandlwana aan en gaven de verschrikkelijk feiten aan Bromhead dat er nauwelijks iemand levend uit handen van de Zulu's gekomen was. Geen wonder dat geen enkele overlevende achterbleef in het kamp met Bromhead maar liever het hazenpad kozen naar het fort van Helpmekaar. Bromhead schreef heel snel iets neer op een stukje papier om Chard, die bij de rivier was, te verwittigen. Chard was intussen wel al verwittigd door twee overlevenden, Lieutenants Adendorff en Vane.

Toen Chard in het kamp aankwam was Bromhead druk bezig om het kamp in gevechtsklaar te maken maar volgens militaire verslagen van de overlevenden zou het net Assistant Commissary James Dalton, een veteraan met 30 jaar dienst, die de mannen oppepte. Meteen werden er zakken maïs gestapeld om een barricade te vormen. Het zou bijna een onbegonnen werk geweest zijn zonder de hulp van 250 mannen uit het Natal Native Contingent. Bromhead gaf het bevel aan 6 Privates, (Henry Hook, Robert Jones, William Jones, John Williams, Joseph Williams en Thomas Cole), om het hospitaal te verdedigen en daar er geen tijd was om de patiënten te evacuren werd dit gebouw in gereedheid gebracht voor het gevecht.

De barricade was al bij al geen slecht idee om vanuit een verhoogde positie het kamp te verdedigen. Enkel de Oscarsberg Hill aan de achterkant van het kamp zou een probleem vormen.

Chard noteerde in zijn verslag de aankomst van enkele overlevenden uit het Natal Native Horse die levend uit handen van de Zulu's gekomen waren (14h30). Hun officier vroeg bevelen van Chard die op zijn beurt het bevel gaf om meteen rond de Oscarsberg Hill te rijden om de vooruitgang van de Zulu's waar te nemen. Omstreeks 16h00 merkte Chard op dat diezelfde ruiters het hazenpad kozen richting Helpmekaar. Dit was het gepaste moment voor de mannen van het Natal Native Contingent om ook het hazenpad te kiezen. Chard schreef in zijn rapport  “We seemed very few now all these people had gone.”

In feite waren er uiteindelijk slechts 139 mannen die de post moesten verdedigen. Chard gaf toen het bevel om een tweede verdedigingslinie te bouwen met koekblikken, iets wat later een briljante tactische zet zou zijn. De koekblikken werden opgestapeld vanuit de hoek van het Commissariaat opslagplaats in de richting van de defensielijn. Dit gaf het garnizoen de mogelijkheid om indien nodig te vluchten wanneer het hospitaal in handen van de vijand zou komen. Private Frederick Hitch moest post vatten op het dak van het hospitaal terwijl Bromhead te horen kreeg dat er 4 tot 6000 Zulu's op weg waren naar het kamp.

In feite waren de Zulu troepen die Rorke's Drift aanvielen geen troepen die deelnamen aan de slag bij Isandlwana en uiteraard waren die erg hitsig om ook tot actie over te gaan.

Omstreeks 16h30 kwamen de eerste krijgers van het jonge Indluyengwe Regiment de Oscarsberg Hill afgestormd om de Britse posities in de rug aan te vallen. Trooper Harry Lugg, een patiënt in het hospitaal zou later het volgende beschrijven: " I had the satisfaction of seeing the first I fired at roll over at 350 (yards)". Chard was erg onder de indruk dat de Zulu's die af te heuvel renden in een kogelregen helemaal niet vertraagden. Deze zelfmoordaanval zou pas vertragen nadat ze het kamp op minder dan 50 yard bereikt hadden. Hier verschansten de overlevende Zulu's zich achter de refter en de ovens.

Ook al leek de Britse positie onneembaar, toch was er een heel zwak punt in de verdedigingslijn. De barricade voor het hospitaal was slecht gebouwd en dankzij het dichte struikgewas konden de Zulu's heel dichtbij de Britse linies komen en zelfs doorbreken in zoverre dat ze het rietdak in brand staken en op die manier nog meer druk zetten op de verdedigers.

Terwijl de Britse frontlinie onder druk kwam, kwam het oudere Zulu regiment, de Uthulwana, Indlondlo en Udloko van de Oscarsberg Hill af. Prince Dabulamanzi Kampande had klaarblijkelijk het bevel over deze regimenten. Hij zag in dat de achterste Britse positie de sterk verdedigd was en liet zijn troepen rond het kamp bewegen om uiteindelijk te hergroeperen met het Indluyengwe regiment dat zich op het vlakke land vooraan het hospitaal en de rotsen bevond.

Ondertussen namen een groot aantal Zulu's in het bezit van vuurwapens, hun posities in aan de voet van de Oscarsberg Hill. Vanuit deden de Zulu's snelvuur dat Corporal Scammell dwars door de schouder trof, Louis Byrne was op dat moment bezig om Scammell een slok water te geven. Scammell werd in het hoofd getroffen en een kogel ging dwars door zijn kop. Intussen waren ook twee andere mannen op de barricade geraakt.

Corporal William Allen was geraakt in de arm, Corporal John Lyons in de nek, dokter Reynolds was nauw aan de dood ontsnapt toen een musketbal dwars door zijn helm ging en James Dalton was zwaargewond.

Chard begon zich ernstig zorgen te maken, hij kon het niet veroorloven om nog meer mannen buiten strijd te hebben en bovendien lag het hospitaal zwaar onder vuur. Hij heeft meer dan waarschijnlijk alle hoop opgegeven dat er enig iemand in het hospitaal zou overleven, vandaar dat hij terugtrok in een relatief veilige positie achter de tweede linie voor de Commisseriaat opslagplaats.

De mannen in het hospitaal waren in een netelige positie en de kleine kamertjes stonden niet met elkaar in verbinding via een deuropening zodat de mannen die met elkaar konden communiceren.  Bovendien hadden de Zulu's het dak in brand gestoken. Arthur Howard had eerder zijn positie verlaten en kon aan de dood ontsnappen door beschutting te zoeken achter dode paarden en varkens. Howard vertelde dat Private Thomas Cole minder geluk had. Hij had in het heetst van de strijd claustrofobie en rende in paniek door de voordeur. De kogelregen had hem meteen getroffen in het hoofd terwijl Private James Bushe een kogel op de neusbrug kreeg. Private Joseph Williams verdedigde het raam tot de Zulu's zijn geweer vastgrepen en hem naar buiten trokken. Hij werd in mootjes gehakt. Twee patiënten vielen in handen van diezelfde Zulu's. Private John Williams (Fielding) was in dezelfde kamer en door de netelige positie bij het raam en bovenop dit een brandend dak, kon hij niet anders dan door de kleimuur te breken om bij Henry Hook te komen. Het verhaal van Hook is ongelooflijk.

Terwijl hij zijn geweer door een schietgat stak om een betere schietpositie te krijgen, grepen de Zulu's zijn geweerloop vast maar gelukkig had hij goed vat op het wapen zodat hij nog snel een reserve kogel kon laden en een Zulu van heel dichtbij neer kon schieten. Terwijl één man de schietpositie verdedigde moest er door de kleimuur gebroken worden om Robert en William Jones en enkele patiënten te bereiken om tenslotte via het raam buiten te raken. Een musketkogel dat Lyons raakte tussen twee rugwervels werd pas drie weken later uit zijn lichaam verwijderd door een dokter in Ladysmith. Hij had het gevecht overleeft en hield zijn musketbal als herinnering aan de slag. Zijn nakomelingen zouden het ding schenken aan het Royal Regiment of Wales Museum waar het tentoongesteld is. Naar het schijnt zou hij het pseudoniem “Williams” gebruikt hebben om te voorkomen dat zijn ouders konden uitvinden dat hij in militaire dienst gegaan was.

Chard en de rest van de soldaten hadden intussen gehergroepeerd voor de opslagplaats. Het Zulu geweervuur was intussen opgehouden dankzij het gebouw tussen de Britten en de Oscarsberg. Nu stak er een ander probleem de kop op, namelijk de rotsen voor de opslagplaats dat voor beide partijen een zegen of een vloek was. Alhoewel de verdedigers een hogere positie hadden waren de rotsen voor de Zulu's ideaal om zich te verschansen en gaf hen de gelegenheid om langzaam naar de barricade toe te kruipen. Er werden verscheidene gevallen gemeld van Zulu's met musketten die de Britten konden verrassen op uiterst korte afstand. Chard vreesde dat deze laatste verdedigingslijn in handen van de vijand zou vallen en gaf Fearing that this final defensive area might fall to the enemy, Assistant Commissary Walter Dunne de opdracht om een laatste houvast te bouwen met de zakken maïs die niet nog gebruikt werden om de barricade te bouwen.

Toen het donker werd kregen de Zulu's nog meer moed en probeerden opnieuw om in het gebied voor de opslagplaats door te breken.

Chard kreeg in de gaten dat er activiteiten waren rond het hospitaal en zag tot zijn verbazing dat er mannen door een raam kropen. Hij zag de netelige positie van die mannen in en vroeg vrijwilligers om die verdedigers en patiënten te evacueren. Corporal William Allen en Private Fred Hitch namen de taak op zich en moesten 30 yards rennen om de mannen uit het brandende gebouw te redden en bovendien was de terugweg even gevaarlijk om er het hachje bij in te schieten.

Voor soldaat Hunter was het te laat toen hij het gebouw zonder hulp wou verlaten. Hij werd op een speer gespietst tussen de schouders. De verdedigers hadden het genoegen om die Zulu te doden alvorens hij beschutting kon zoeken.

Intussen zaten alle mannen van het garnizoen in een heel erg kleine ruimte rond de opslagplaats terwijl het brandende hospitaal hen voldoende licht gaf om te zien uit welke richting een nieuwe aanval begon maar toen het vuur langzaam uitdoofte werd het donker en dat was net in het voordeel van de Zulu's. Chard kon nooit uitmaken uit welke richting het geschreeuw kwam zodat de verdedigers permanent alert moesten blijven. Private John Jobbins van de “B” compagnie voerde aan in zijn verslag dat Reverend George Smith, tussen het uitdelen van de kogels door, ging bidden om de Zulu's hun aanval te staken. Als bij wonder gebeurde dat ook. Toch konden de Zulu's het niet laten om door te breken naar de kraal waar het vee stond. Bromhead verzamelde een groepje mannen en ging de Zulu's achterna. Dat gaf de Britten een enorme psychologische en mentale schok terwijl de Zulu aanvallen verminderden. Pas tegen het daglicht beseften ze hoeveel geluk ze hadden gehad.

Maar dat was nog niet alles. Omstreeks 07h00 op 23 januari, merkte Chard een Zulu regiment op dat zich verzamelde op de Kwasinqindi Hill, recht tegenover het kamp. Het zag er niet rooskleurig uit want de resterende munitie was slechts anderhalve kist en indien de Zulu's een laatste aanval zouden doen was dit de ondergang van de Britten. Maar toen gebeurde een eigenaardig fenomeen. De Zulu's stonden als één op, maakten een wijde boog rond het kamp en verdwenen over de Buffalo River in Zululand. Vanuit Chard's positie op de Kwasingqindi Hill konden ze niet zien dat de troepen van Chelmsford op terugtocht waren vanuit Isandlwana.

Chelmsford had een moeilijke nacht doorgebracht aan de voet van de Isandlwana Hill en zag een rode gloed aan de achterkant van de Oscarsberg Hill en dacht uiteraard aan een drama dat zich afspeelde in de bevoorradingspost van Rorke's Drift. Chalmsford begon zijn terugtocht voor daglicht in de hoop om zijn mannen in Rorke's Drift levend terug te zien. Op zijn terugweg had een grote groep Zulu's heel dichtbij zijn troepen gestapt maar niets tegen hem ondernomen. Dat was voor Chelmsford het bewijs dat niemand het in Rorke's Drift overleeft had maar niets was minder waar.

Na aankomst aan de Buffalo River, stuurde Chelmsford enkele infanteristen op verkenning. Zelfs vanaf de Drift konden ze de vreugde kreten van het garnizoen horen.

Zoals Henry Hook beschrijft: “We broke into roar after roar of cheering, waving red coats and helmets, and we cheered again and again.” De strijd was gewonnen. In totaal werden elf mannen beloond met het Victoria Cross, het hoogste aantal ooit toegekend voor één enkele slag in de Britse militaire geschiedenis.

De volgende soldaten kregen de toekenning:

Lieutenant J.R.M. Chard (Royal Engineers)
Surgeon J.H. Reynolds (Army Medical Department)
Acting Assistant Commissary J.L. Dalton (Commissariat Department)
Lieutenant G. Bromhead (2nd Batt., 24th Regiment)
Corporal W.W. Allen (2nd Batt., 24th Regiment)
Private F. Hitch (2nd Batt., 24th Regiment)
Private A.H. Hook (2nd Batt., 24th Regiment)
Private R. Jones (2nd Batt., 24th Regiment)
Private W. Jones (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Williams (2nd Batt., 24th Regiment)
Corporal F.C. Schiess (Natal Native Contingent)
Vij mannen kregen het "distinguished conduct medal":
Colour-Sergeant F. Bourne (2nd Batt., 24th Regiment)
Private W. Roy (1st Batt., 24th Regiment)
Wheeler J. Cantwell (Royal Artillery)
Second Corporal F. Attwood (Army Service Corps)
Second Corporal M. McMahon (Army Hospital Corps)
(McMahon werd zijn Victorian Cross afgenomen nadat hij schuldig bevonden werd voor diefstal bij Helpmekaar)

Britse slachtoffers:

Gedood:

Acting storekeeper L.A. Byrne (Commissariat Department)
Sergeant R. Maxfield (2nd Batt., 24th Regiment)
Private R. Adams (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Chick (2nd Batt., 24th Regiment)
Private T. Cole (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Fagan (2nd Batt., 24th Regiment)
Private G. Hayden (2nd Batt., 24th Regiment)
Private W. Horrigan (1st Batt., 24th Regiment)
Private J. Jenkins (1st Batt., 24th Regiment)
Private E. Nicholas (1st Batt., 24th Regiment)
Private J. Scanlon (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Williams (2nd Batt., 24th Regiment)
Trooper S. Hunter (Natal Mounted Police)
Corporal W. Anderson (Natal Native Contingent)
Plus: 1 onbekende soldaat (Natal Native Contingent)

Dood of gewond:

Lance-Sergeant T. Williams (2nd Batt., 24th Regiment)
Private W. Beckett (1st Batt., 24th Regiment)

Zwaar gewond:

Acting Assistant Commissary J.L. Dalton (Commisseriat Department)
Corporal W.W. Allen (2nd Batt., 24th Regiment)
Corporal J. Lyons (2nd Batt., 24th Regiment)
Corporal C. Scammell (Natal Native Contingent)
Corporal F. Schiess (Natal Native Contingent)
Drummer J. Keefe (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Bushe (2nd Batt., 24th Regiment)
Private P. Desmond (1st Batt., 24th Regiment)
Private F. Hitch (2nd Batt., 24th Regiment)
Private A.H. Hook (2nd Batt., 24th Regiment)
Private R. Jones (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Smith (2nd Batt., 24th Regiment)
Private W. Tasker (2nd Batt., 24th Regiment)
Private J. Waters (2nd Batt., 24th Regiment)
Trooper R. Green (Natal Mounted Police)

Er zijn geen geschreven Zulu statistieken en er zijn enkel oog getuigenissen. De Britten verklaren dat er 351 Zulu' omkwamen op 23 januari maar vonden uiteindelijk meer gesneuvelden. Niemand weet echter hoeveel meer mannen er stierven door hun verwondingen. Naar schatting zouden dat er in totaal 500 - 600 zijn. Er is geen uitgesproken toekenning voor heldendaden bij de Zulu's alhoewel de "Isiqu", een halsband gemaakt van geweven hout, toegekend werd aan krijgers die zich onderscheiden tijdens gevechten.

 

 Addo ] Durban ] Free State ] Gastenhuizen & Lodges ] Hermanus ] Limpopo ] Magaliesberg ] [ Natal Battlefields ] Hotels Cape ] Pilanesberg - Sun City ] Pretoria-Johannesburg ] Swellendam ] Tuinroute ] Waterberg ] Wijnroute ] West-Kust ] Self-catering ] Strand Hotels ] Route 62 ] Noord-Kaap ] Natal accommodatie ] Madikwe Game Reserve ] Kruger en Panorama ] Drakensbergen ] Karoo ] Eastern Cape ]